,

Vrouwenemancipatie anno 2013

En daar verscheen het weer op de agenda van het publieke debat: de vrouwenemancipatie. De reactie van Matthijs van Nieuwkerk in de aflevering van De Wereld Draait Door van 8 maart 2013 verwoordt mijn verbazing over deze alsmaar terugkerende discussie, als hij spontaan uitroept: ‘Ik was het bijna vergeten: de vrouwenemancipatie!’ En even later: ‘Ik heb het gevoel of ik word teruggeworpen in de tijd!’ Ja, waar gaat het debat over vrouwenemancipatie tegenwoordig eigenlijk nog over? Is die strijd niet al lang gestreden?

Vrouwenemancipatie in vogelvlucht
Jarenlang streden vrouwenbewegingen voor de democratisering van de Nederlandse samenleving, en gelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Zo werd er aan het einde van de 19e eeuw gestreden voor vrouwenkiesrecht tijdens de eerste feministische golf. Een tweede hoogtepunt beleefde het feminisme in de jaren ’60 en ’70 van de twintigste eeuw. Toen waren de seksuele bevrijding en economische zelfstandigheid van de vrouw belangrijke speerpunten. In de derde feministische golf strijden vanaf het midden van de jaren ’90 met name ex-moslima’s voor de vrijheid je te ontwikkelen zonder culturele of religieuze belemmeringen. De discussie die de afgelopen maanden wordt gevoerd, richt zich echter voornamelijk op gelijke beloning en de financiële onafhankelijkheid van de autochtone vrouw. Thema’s die vooral tijdens de tweede feministische golf belangrijke strijdpunten waren.

De huidige stand van zaken in cijfers
Worden we in het huidige debat rondom vrouwenemancipatie onnodig teruggeworpen in de tijd? Houden we ons bezig met een strijd die eigenlijk al lang uitgestreden is? Hoe staat het tegenwoordig in Nederland met de gelijke beloning en de economische onafhankelijkheid van de vrouw? Voor de beantwoording van deze vraag kunnen we allereerst naar de cijfers kijken. En deze cijfers liegen er niet om. Op 6 maart 2013 bericht het CBS dat vrouwelijke werknemers slechts 55 procent van het gemiddelde inkomen van mannelijke werknemers verdient. Dat is op het eerste gezicht even schrikken, maar wordt grotendeels verklaard doordat vrouwen vaak minder werken dan mannen. Echter, na correctie van arbeidsduur, maar ook van opleidingsniveau, beroepsniveau, werkervaring, bedrijfssector en het al dan niet hebben van een leidinggevende functie, blijft er bij voltijds werknemers nog een onverklaarbaar verschil over van 15 procentpunt, aldus het CBS.

Als we nog even verder in de cijfertjes duiken, weet het CBS ons te vertellen dat ruim 3 miljoen vrouwen tegenwoordig kiezen voor een baan in deeltijd. De belangrijkste reden voor deze keuze is de zorg voor het gezin of huishouden. Wanneer vrouwen kiezen voor een deeltijdbaan, lopen zij volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) een groter risico in armoede te vervallen. Want als vrouwen hierdoor economisch afhankelijk worden van hun partner en deze wegvalt, belanden zij in de bijstand. En gezien het aantal scheidingen – 1 op de 3 – is het risico dat deze vrouwen nemen niet gering.

Het huidige debat
Als we de cijfers mogen geloven is het in Nederland anno 2013 dus somber gesteld met zowel de gelijke beloning als de economische onafhankelijkheid van de vrouw. Is de strijd voor de democratisering van de samenleving en gelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen dan inderdaad nog lang niet uitgestreden? Over de stelling dat ongelijke beloning onrechtvaardig is, is  denk ik weinig discussie nodig. Dat mannen en vrouwen ongelijk beloond worden, is namelijk in strijd met artikel 1 in onze grondwet. Deze wet stelt dat:

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Het feit dat na aftrek van arbeidsduur, opleidingsniveau, werkervaring, etc. er een onverklaarbaar 15 procentpunt verschil blijft bestaan tussen de beloning van mannen ten opzichte van de vrouwen, is strijdig met artikel 1. Hoewel deze wet stelt dat discriminatie wegens geslacht niet is toegestaan, blijkt de praktijk hier niet volledig aan te voldoen.

Het is echter de economische onafhankelijkheid waar in de recente discussie vooral veel aandacht naar uit gaat. De argumenten die in dit debat de revue passeren, draaien om waarden als verantwoordelijkheid, keuzevrijheid en zelfstandigheid. Het ene kamp is bezorgd over de kwetsbare positie van de economisch onafhankelijke vrouw en betoogt dat zij er verstandig aan doet financieel zelfstandig te zijn omdat een echtscheiding – en daarmee het risico op een armoedeval – een reële optie is. Eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid hebben de verdedigers van dit standpunt hoog in het vaandel staan. Als je het voor jezelf maar goed geregeld hebt.

Vanuit het andere kamp klinkt een tegenovergesteld geluid. Daar wordt gewezen op de keuzevrijheid van de vrouw om het eigen leven vorm te geven. Als een hoogopgeleide vrouw liever een deeltijdbaan neemt zodat zij ook de zorg voor de kinderen en het huishouden op zich kan nemen, wie zijn anderen om daar iets van te zeggen? Juist deze verworven vrijheid is een verdienste van de emancipatiestrijd.

Dat de doelen waar de vrouwenbeweging tijdens de tweede feministische golf voor vocht anno 2013 niet volledig gerealiseerd blijken, moge duidelijk zijn. Wat mij betreft mag ongelijke beloning dan ook zeker op de agenda staan van de hedendaagse emancipatiestrijd. Want als mannen en vrouwen daadwerkelijk beschouwd zouden worden als ‘gelijke gevallen’ dan zouden zij ook een gelijke behandeling – dus beloning – krijgen. Hier valt dus nog zeker winst te behalen.

Dit is naar mijn mening anders als het gaat om de financiële onafhankelijkheid van de vrouw. Daar waar vrouwen hoogstwaarschijnlijk niet vrijwillig zullen kiezen voor het krijgen van een lager loon dan hun mannelijke collega’s krijgen, is het een stuk waarschijnlijker dat zij wel kiezen voor een deeltijdbaan en/of de zorg voor de kinderen en het huishouden – en de financiële gevolgen die een dergelijke keuze met zich meebrengt. Strijden voor de financiële onafhankelijkheid van de vrouw in deze tijd, zal in veel gevallen dus indruisen tegen de behoeften van diezelfde vrouw. Een beweging die de onderdrukte vrouw wil bevrijden door haar financieel onafhankelijk te maken, streeft zo haar doel voorbij door de vrouw bemoeizuchtig te verplichten tot iets wat zij niet wil. Maar hierin zien we ook meteen weer het positieve wat de vrouwenemancipatie de vrouw heeft gebracht, namelijk de vrijheid om het eigen leven vorm te geven. En het zou toch zonde zijn om een vrijheid waar hard voor gevochten is, te beperken om een ander vooropgestelde doelstelling af te kunnen vinken? Daar komt nog bij dat de reden om financiële onafhankelijkheid na te streven, wel een heel negatieve motivatie heeft. De vrouw zou deze onafhankelijkheid moeten nastreven onder het motto van: ‘je kunt alleen op jezelf vertrouwen’. Immers, zij moet altijd rekening houden met een mogelijke scheiding. Dit is wat mij betreft wel een erg pessimistische kijk op het huwelijk en zal het vertrouwen in de levenspartner zeker niet bevorderen. Bovendien is het ook een eenzijdige visie: hoewel een toereikend inkomen onontbeerlijk is voor een goedlopend gezin, is het zorg dragen voor het welzijn van het gezin ook van wezenlijk belang. De kostwinnende man mag na een scheiding dan wel financieel zelfstandig zijn, maar om minstens zo belangrijke punten het alleen ook niet kunnen redden.

Tot slot
De vraag uit de inleiding – gaat het debat over vrouwenemancipatie tegenwoordig eigenlijk nog wel ergens over? – zou ik met een ‘ja’ willen beantwoorden. Daar waar er sprake is van onrecht en ongelijke behandeling van de vrouw, is er zeker nog winst te behalen. Maar daar waar het enkel gaat om de verheerlijking van een feministisch ideaal, daar mogen feministen wat mij betreft de strijdbijl begraven.

 

Nynke van der Veldt

Gülen en Sartre over de verantwoordelijkheid

De langverwachte zomerse hitte heeft gelukkig geen problemen op het spoor veroorzaakt, waardoor de bijeenkomst weer begint met een inleiding van Gerrit Steunebrink. Maar niet voordat ieder ter gelegenheid van deze laatste keer, en vanwege de hitte, een lekker ijsje heeft gegeten.

Inleiding
Daarna legt Steunebrink uit dat Jill Carroll een dialoog tussen atheïsten en theïsten nodig vindt en daarom in hoofdstuk 5 een gesprek tussen het atheïstisch existentialisme van Jean Paul Sartre (1905 – 1980) en Fethullah Gülen construeert. Het gespreksonderwerp zal voornamelijk het begrip verantwoordelijkheid zijn, verantwoordelijkheid voor de eigen daden.

Verantwoordelijkheid
Hoewel Gülen in het verleden het existentialisme heeft bekritiseerd, is Carroll, in de geest van Gülen, van mening dat er oprechte relaties en respect kunnen bestaan tussen mensen die heel erg van mening verschillen. Vervolgens geeft ze een uiteenzetting over de invalshoeken van Sartre en van Gülen ten opzichte van verantwoordelijkheid, wat leidt tot haar synthese: Sartre en Gülen zijn beide van mening dat de mens moet handelen en dit niet mag afschuiven op een ander. Je komt dan uit bij mensen die voor hun handelen verantwoordelijkheid kunnen dragen en die Steunebrink beeldend een soort superhelden noemt. Deze mensen doen het goede omwille van het goede, en om hen te vormen is onderwijs nodig. Hiermee zijn we weer aanbeland bij Gülen.

Pauze
Na de inleiding volgt een korte pauze, waarin uiteraard wordt gesproken over de huidige situatie in Turkije, maar ook over allerlei verschillende culturele projecten waarin veel deelnemers actief blijken te zijn. Na vijf bijeenkomsten heeft men elkaar toch wel leren kennen, zeker ook door de steeds duidelijke discussies, het elkaar aanvullen, maar eveneens door het elkaar constructief tegenspreken.

Gülenonderwijs in de praktijk
Na de pauze komt een aantal vragen van deelnemers aan de orde, zoals hoe het onderwijs van Gülen in de praktijk is geregeld. Het vormen tot goede en verantwoordelijke mensen is namelijk niet eenvoudig, en men vraagt zich af of daarbij ook straffen worden toegepast. Zover de deelnemers dat op basis van hun kennis en ervaring kunnen inschatten, zal dat niet het geval zijn. Gülen zegt immers dat iedereen door het goede te doen een voorbeeld moet zijn voor anderen. Vertaald naar het onderwijs betekent dit dat een goede docent vooral een voorbeeldfunctie heeft.

Dialoog
Het boek gaat voortdurend over het vinden van overeenkomsten, wat bij een deelnemer leidt tot de vraag of dat nou het doel is van dialoog. “Is het niet zo dat mensen door met elkaar in gesprek te gaan, vanzelf dichter bij elkaar komen?” Volgens Steunebrink zou je het begrip dialoog moeten differentiëren en onderscheiden voor bepaalde situaties, bijvoorbeeld ‘de dialoog van het dagelijks leven’. Hierbij moeten mensen, ondanks hun verschillen, correct met elkaar omgaan. Door te differentiëren kan men, ook zonder het op alle punten eens te zijn, toch gezamenlijk iets ondernemen. Hierop wordt aangevuld dat volgens Gülen dialoog begint bij het vinden van overeenkomsten, daarbinnen kan verscheidenheid besproken worden, en vervolgens wordt naar oplossingen gezocht voor gedeelde problemen. Belangrijk hierin is dat iedereen zijn eigenheid mag en kan behouden.

Afsluiting
Volgens dit laatste uitgangspunt kan het boek wel geslaagd worden genoemd. Maar aan de andere kant geeft het te weinig informatie over Gülen en is het duidelijk niet wetenschappelijk opgezet. Maar dat neemt niet weg dat deze eerste door Platform INS georganiseerde leesgroep is aangeslagen. De samenstelling van de groep heeft daar veel aan bijgedragen: een godsdienst- en cultuurfilosoof als inleider, een deelnemer die vanwege zijn kennis over de denkbeelden van Gülen veel aanvullende informatie kon verstrekken, en verder deelnemers die vanuit studie, ervaring en expertise zinvolle bijdragen leverden aan een opbouwende discussie.

 

Bettina J. Mulder
25 juni 2013